Voor onze huidige jaartelling, in het tijdperk der druïden, leefden in west europa wijze vrouwen. Zij leefden voornamelijk in de heuvels of kloosterburchten, waar zij adellijke jonge meisjes vanaf hun zevende jaar opleidden in hun kunde. Dat we nu kosmobiologie noemen die de kennis van de sterrenhemel en van de werking daarvan op aarde (astrologie) de kennis van  het mineralen, planten en dierenrijk en van de mens naar de ziel en lichaam (biologie) en de geschiedenis van goden en mensen omvatte.

Zij wisten dat de hemelse krachten in wisselende onderlinge verhoudingen de verschillende soorten stenen, planten,dieren en mensen opbouwen, zodat er een overeenstemming is tussen een bepaalde kosmische krachtbron, zoals een planeet en de speciaal op zijn trilling afgestemde steen, plant dier en mens. Daaruit leidden zij af, welke kruiden bij welke mensen en bij welke ziekten behoorden. Zij leerden de mensen hun kruiden te juister tijd te verzamelen en in hun huizen te hangen om tweedracht en ziekte te voorkomen of zo nodig te genezen. Zo ontstonden de traditie die overgingen van moeder op dochter. 

Op hun veertiende jaar was men een hexa geworden, leerden zij dienst doen in de woudheiligdommen en werden ingewijd in de natuurlijke samenhangen, waarop de praktische magie is gegrondvest. Op hun twintigste jaar mochten zij kiezen tussen een huwelijk of een levenslang verblijf in de burcht als leermeesteres en wijze vrouw of hagedessa.